fbpx
Blog

Van toeval tot motief | Over Dwarslopers

Van toeval tot motief, over Dwarslopers. Op maandagavond 28 augustus 2017 kwamen er op de Vrije Hogeschool veertien mensen bij elkaar. Het waren vertegenwoordigers van drie verschillende groepen jongeren in Nederland: het Haarlems Studenten Koor, Kamerkoor JIP uit Utrecht en de Vrije Hogeschool.

Ik vraag me op dit moment nog steeds af wat deze drie organisaties samen heeft gebracht. Was het een lichtzinnige coïncidentie; een toevallig samenvallen van verschillende omstandigheden? Of had de bijeenkomst het karakter van een zware bestempeling van het lot dat er voor zorgde dat op 28 augustus van het vorige jaar een onmogelijk en paradoxaal idee geboren werd? Ik vraag me trouwens sowieso af of ik zélf niet louter besta uit toevalligheden. Ben ik tenslotte niet geboren uit een volstrekt willekeurige samenkomst van enkele zaadcellen en eicellen tijdens een nachtelijke romance?

Als ik naar de belangrijke gebeurtenissen in mijn leven kijk, dan kan ik bijna niet anders concluderen dan dat mijn levensloop door toevalligheden wordt gedomineerd. Ik heb vier jaar op het conservatorium van Den Haag gezeten, omdat ik op een zaterdagmiddag in 2008 had afgesproken met een vriendin, die wellicht klarinet wilde gaan studeren. Zij wilde naar de Open Dag van het Conservatorium. Ik hield haar voor de gezelligheid gezelschap, verdwaalde in het gebouw en belande per ongeluk bij de afdeling Docent Muziek. Ik ging er studeren en ben nu musicus. De vriendin die mij had meegenomen ging geneeskunde studeren en is nu arts.

Een ander voorbeeld. Terwijl ik in 2013 bij het Concertgebouw in Amsterdam werkte, organiseerde ik een scholingsweekend voor jongeren in Drenthe. Een van de sprekers, die een lezing kwam geven over identiteit, moest door iemand van het organiserend comité worden opgehaald van Station Hoogeveen. Ik offerde me op, reed naar het station, pikte hem daar op en een kwartier later had ik besloten te gaan solliciteren bij de Vrije Hogeschool, waar ik nu vijf jaar werk.

Terug naar de bijeenkomst van vertegenwoordigers van het Haarlems Studenten Koor, Kamerkoor JIP en de Vrije Hogeschool. De aanleidingen om een avond samen door te brengen waren enkele droge feiten:

  • Het Haarlems Studenten Koor bestaat dit jaar tien jaar en wilde het jubileum vieren.
  • Kamerkoor JIP bestaat dit jaar vijf jaar, organiseert nu het tiende koorproject en wilde dit jubileum vieren.
  • De Vrije Hogeschool heeft geen jubileum te vieren maar is in het algemeen blij dat het bestaat en wil graag andere mensen bij de organisatie betrekken.

Tijdens de avond onderzochten de drie organisaties hoe ze deze feiten bij elkaar konden brengen in een gezamenlijk project. Daarmee werd de eerste paradox van dit project rondom identiteit geboren:

Het Haarlems Studenten Koor is trots dat ze tien jaar bestaat en wil duidelijk maken waar ze voor staat. Het doel voor het koor was om in dit jubileum te laten zien wat het HSK is, wat de blauwdruk is en wat de identiteit is. De paradox van de werkwijze is: dat doet het koor door samen te gaan werken met andere kunstenaars en organisaties, die ieder een andere identiteit hebben. Is het niet opmerkelijk dat een groep mensen vanuit de trots dat ze samen een identiteit vormen (namelijk: het Haarlems Studenten Koor), naar Zeist afreist in de wetenschap dat als je samenwerkt met andere organisaties, je zult worden onderworpen aan andere groepen, andere opvattingen en andere identiteiten?

Laten we het tienjarig jubileum eens vergelijken met de verjaardag van een mens. Ik zal mijzelf opnieuw als voorbeeld aandragen; ik ken tenslotte het verleden van mijn eigen leven het beste. Toen ik vijfentwintig werd besloot ik dat ik niet ieder jaar mijn verjaardag wilde vieren, maar iedere vijf jaar. Ik organiseerde een groot dinerconcert met Indiaas eten en nodigde mijn gasten uit om elkaar te ontroeren en vermaken met liederen, gedichten, verhalen en grappen. Zelf had ik niet de minste behoefte om in de spotlight te staan en ik deed die avond alleen enkele kunstjes uit beleefdheid en dankbaarheid dat de anderen gekomen waren. Je zou kunnen zeggen: met het vieren van mijn verjaardag wilde ik niet zichtbaar maken wie ik was geworden in die vijfentwintig jaar, maar wilde ik zichtbaar laten worden wie de anderen zijn rondom mijzelf. Ik definieerde wie ik was door vijftig andere mensen samen te laten komen en zich te laten zien en horen.

Misschien, zo bedenk ik mij, wil het Haarlems Studenten Koor zich ook wel definiëren door aan zichzelf te laten zien wie er om hen heen staan, wie zich met het Haarlems Studenten Koor hebben verbonden in het verleden, en willen verbinden in de toekomst. Maar als je wil vieren dat je bestaat, is het dan wel genoeg om dat te doen door het zichtbaar maken van de mensen die om je heen staan? Moet je niet ook definiëren wie je zelf bent? Moet het Haarlems Studenten Koor niet een bewijs leveren van wie ze zelf is?

Definiëren wie je bent; ik vind het maar een lastige opgave. In het woordenboek staan definities. Volgens het woordenboek is identiteit het bewijs dat je de persoon bent voor wie je je uitgeeft. Maar hoe bewijs je dat?

We hebben allemaal een identiteitsbewijs. Maar geen van de feiten in mijn paspoort geeft mij informatie over wie ik nu, vandaag ben. Er staan in mijn identiteitsbewijs enkel feiten die iets zeggen over aspecten van mezelf waar ik juist geen enkele invloed op heb gehad. Niets van de gegevens in mijn paspoort geeft mij de indruk dat ik een eigen identiteit heb, want juist deze gegevens laten zien dat de Ander mij heeft ingevuld. Als er iets is dat mij een gevoel van leegte geeft is het wel het gevoel dat de feiten die maken dat ik een identiteit heb, feiten zijn die mij door andere mensen zijn aangedragen. Ben ik dan zelf wel iemand? Ja, ik weet wel dat ik iemand ben. Maar kan ik bewijs aanleveren over wat vanuit mijzelf komt en niet door mijn omgeving wordt bepaald? Ik weet het niet. Ik kan het voor mezelf niet bepalen en beroep mij daarom maar op anderen.

Zo citeer ik Lieke Marsman“Men ziet vaak het moment waarop een kind merkt dat er dingen aan hem of haar veranderen als het moment waarop een kind een besef van identiteit krijgt, maar voor mij was het juist het moment waarop ik besefte niet iets of iemand anders te kunnen zijn, dat ik mezelf voor het eerst aan een kritische inspectie onderwierp. Wie niemand anders kan zijn, moet ervoor zorgen dat hij in elk geval zo goed mogelijk zichzelf is.”

Maar hoe zorg je ervoor dat je zo goed mogelijk jezelf bent? Als ik niet weet wat het ‘zelf’ is, hoe kan ik dat dan zijn? Ik weet dat ik mezelf wil zijn, dat wel. Ja, ik ben zelfs bang voor het moment dat ik mezelf verlies. Of, zoals de Deense filosoof Soren Kierkegaard omschrijft: ”Het grootste gevaar, namelijk zichzelf te verliezen, kan in de wereld zo stilletjes gebeuren alsof het niets te betekenen heeft. Geen verlies kan zo stil heengaan; ieder ander verlies: een arm, een been, vijf euro, een echtgenote, enzovoorts, wordt echter wel bemerkt.”

Nu we, en met ‘we’ bedoel ik het Haarlems Studenten Koor, Kamerkoor JIP en de Vrije Hogeschool, ons sinds enkele maanden bezighouden met het thema van identiteit, merk ik dat ik steeds meer in de war raak.

Ik denk dat we allemaal de angst wel kennen om onszelf te verliezen. Je kunt jezelf verliezen door te drinken, teveel te eten, hartstochtelijk een ander lief te hebben, of door het gevoel te hebben dat de ander je in bezit neemt. In de afgelopen maanden werd die angst ook zichtbaar in de samenwerking tussen de verschillende groepen in dit project. In iedere organisatie ontstonden er wel momenten waarop de mensen elkaar aankeken en met verschikte ogen uitbrachten: “Maar als we op deze manier met die andere organisaties samenwerken, kunnen we dan nog wel onszelf zijn?” Niets lijkt zo bedreigend als de stille en onzichtbare angst dat je jezelf verliest. ”Maar hoe kan ik ervoor waken dat ik mezelf niet verlies, als ik niet weet wie ik ben?” Vraag ik mijzelf opnieuw.

De Franse filosoof en wiskunde René Descartes was bepalend voor de westerse filosofie met zijn filosofische stelling “Cogito ergo sum”; ik denk dus ik besta. Het enige waarvan ik zeker weet dat het bestaat, zo zei hij, is datgene in mij dat denkt. Dat is wat ons als mensen onderscheidt van de wereld der objecten. De geest; het subject, maakt ons tot mensen die kunnen registreren wat er in de wereld van objecten gebeurt. Ik denk dat het vandaag de dag heel moeilijk is die stelling te verdedigen. Of zoals Milan Kundera het veel beter kan verwoorden dan ik zou kunnen:

“Ik denk, dus ik besta” is de uitdrukking van een intellectueel die kiespijn onderschat. Ik voel, dus ik besta is een veel algemenere waarheid, die slaat op al wat leeft. Mijn ik verschilt niet wezenlijk van het uwe door wat het denkt. Veel mensen, weinig gedachten: wij denken allemaal vrijwel hetzelfde en nemen elkaars gedachten over, lenen ze, stelen ze. Maar als iemand op mijn tenen trapt, ben ik de enige die pijn voelt. De grondslag van het ik is niet het denken, maar het lijden – het allerelementairste gevoel. In het lijden kan zelfs een kat niet twijfelen aan haar onverwisselbare ik. In groot lijden vervaagt de wereld en is ieder van ons alleen met zichzelf. Het lijden is de universiteit van het egocentrisme.”

Ja, we leven in een tijd waarin alle kennis inwisselbaar lijk te zijn. Het internet zorgt ervoor dat alle wetenschap aan onze voeten ligt, in haar volledige tegenstrijdigheid. Kunstmatige intelligentie doet haar intreden; over enkele decennia zijn er kunstmatige wezens die veel intelligenter zijn dan wij. Wezens die een beter geheugen hebben dan ik. Wezens die geen last hebben van de oogkleppen die ik op heb vanuit mijn culturele bubbel, waarin ik mij bevind. Wezens die misschien zelfs wel minder tegenstrijdig zijn dan ik. Want tegenstrijdig; zijn we dat niet allemaal? Als mens in 2018 kunnen we putten uit vele bronnen. Onze identiteit, zo stelt filosoof Charles Taylor, is het resultaat van de vermenging van een veelheid aan bronnen. Zonder bronnen van kennis is er geen inspiratie. Kortom: geen identiteit.

Het moeilijke in deze tijd is echter dat er bijna geen grote verhalen zijn die ons richting kunnen geven. We kunnen allang niet meer vertrouwen op het grote verhaal van het Christendom, die ons kan leiden in onze zoektocht. We kunnen niet vertrouwen in het verhaal van een eenheid, die alles in ons leven met elkaar verbindt. Ja, misschien leven we wel in een tijd voorbij het voorlopige einde van de grote verhalen.

Ik verstom en vertel zelf ook geen grote verhalen meer de laatste tijd, want met een oneindigheid aan kennis voor mijn voeten, zal ieder groot verhaal worden ingehaald door nieuwe kennis, die het tegenovergestelde van mijn verhaal bewijst.

Als mijn denken niet mijn identiteit is en dat voor mijn ogen wordt verpletterd, ontstaat er in mij een stilte. Wat bestaat er in mij, los van mijn denken? Niets kan zo eenzaam maken als de verdrietige angst dat er een mogelijkheid is dat je niets betekent. We zoeken allemaal naar betekenis en eigenheid. Maar hoe vinden we die? Volgens Milan Kundera zijn er twee methoden om de originaliteit, en daarmee de waarde van het ik, te cultiveren. De eerste methode is de methode van het optellen. De tweede methode is de methode van het aftrekken.

Eerst de methode van het aftrekken. Je kunt alles wat van buiten komt, zoals de gegevens op mijn paspoort, of de kennis die we uitwisselbaar met elkaar gemeen hebben, van jezelf aftrekken. Als je op zoek gaat naar wat er dan overblijft, is dat een zoektocht naar de essentie van het zelf. Je loopt dan wel het risico dat je, nadat je alles hebt afgetrokken van jezelf, heel dicht bij de nul terechtkomt.

De tweede methode om je identiteit te ontdekken is de methode van het optellen. Zo ziet Kamerkoor JIP het organiseren van koorprojecten die ingaan op iets dat in de maatschappij gebeurt als onderdeel van haar identiteit. Kamerkoor JIP reageerde op de vluchtelingencrisis door muziek te zingen uit het Midden Oosten, zong over polarisatie in de samenleving en bracht enkele maanden geleden muziek van vrouwelijke componisten, als ware het een feministisch statement. Kamerkoor JIP wil zich onderscheiden in de korenwereld door deze maatschappelijke betrokkenheid. De paradox zit hem er echter in dat het koor dit deel van de identiteit met zoveel mogelijk mensen en organisaties wil delen. Doordat JIP dit doet, beginnen andere koren en mensen hetzelfde werk te doen als Kamerkoor JIP en daarmee verdwijnt langzaam het onderscheidende karakter van het koor.

We definiëren onze identiteit vaak door ons te onderscheiden van de ander. Zo houd ik bijvoorbeeld meer van pindakaas dan van chocoladepasta. Daarmee onderscheid ik mij van die helft van de wereld die meer van chocoladepasta houdt dan van pindakaas. Het negatieve effect is dat ik nu des te meer lijk op de helft van de mensheid die meer van pindakaas houdt.

Kamerkoor JIP houdt meer van maatschappelijk betrokken projecten en volksmuziek en onderscheidt zich daarmee van die mensen die daar niet van houden, maar begint meer te lijken op die helft van de bevolking die zich ook maatschappelijk wil engageren. Het Haarlems Studenten Koor houdt zoveel van hele concerten uit het hoofd zingen, zonder bladmuziek, dat het deze kwaliteit vol trots aan een zo groot mogelijk publiek wil laten zien. Het publiek raakt geïnspireerd, keert terug naar het eigen koor en zingt het volgende project alles uit het hoofd. De Vrije Hogeschool wil een plek zijn waar jonge mensen elkaar kunnen vinden in hun denkbeelden en gevoelens die het bestaan zin geven. Alle alumni van de Vrije Hogeschool krijgen deze waarden mee, verplaatsen deze naar verschillende delen van de samenleving en maken daarmee de Vrije Hogeschool minder uniek. Ik denk dat dit precies de bedoeling is.

Wie zijn wij? Waar halen we onze menselijke identiteit vandaan? In jezelf geloven is onlosmakelijk verbonden met in de wereld geloven. Om in jezelf te leren geloven moet je de wereld leren kennen. Om de wereld te kunnen leren kennen is het nodig in jezelf te geloven. De zoektocht naar je eigen identiteit, of dit nu is als mens, als organisatie of als cultuur, start bij het openen van dat wat er in je leeft naar de ander toe. Of het nou toevalligheden zijn, of dat we het beschouwen als ons lot; de gebeurtenissen uit ons verleden hebben ons allen gevormd tot wie we zijn.

De feiten uit de geschiedenis van het Haarlems Studenten Koor, Kamerkoor JIP en de Vrije Hogeschool vormen een blauwdruk van hun identiteit. Het ís echter niet de identiteit. We zoeken naar onze identiteit in de wetenschap die nooit te zullen vinden, omdat identiteit bewegelijk is aan verandering onderhevig. De zoektocht naar identiteit is in mijn ogen niet een egocentrische vrijetijdsbesteding, maar een diepe en essentiële zoektocht naar betekenis, verbinding en liefde in de wereld van nu.

Er lijken veel mensen te leven in de angst om zichzelf te verliezen. Als we geen gezamenlijke moed kunnen zetten tegenover die angst, dan ontstaan er kleine werelden die bang zijn om andere werelden toe te laten. Dan ontstaan er groepen mensen die bang worden voor vluchtelingen, omdat die hun identiteit zouden aantasten. Dan ontstaan er groepen mensen die klimaatverandering ontkennen, omdat ze bang zijn hun eigen waardigheid te verliezen. Dan ontstaan er groepen mensen die koste wat kost zwarte piet willen behouden, omdat ze bang zijn dat met de kleurverandering van dit historisch figuur een deel van hun eigen identiteit zal sneuvelen en er daarmee uiteindelijk niets overblijft.

Tegenover die angst staat moed. Moed om te leven met de overweldigende paradoxen van onze eigen identiteit. Moed om te te leven met de stilte van het zelf, die ontstaat als we de attributen van het leven aftrekken. Moed om juist over die stille gebieden van onszelf te communiceren, omdat we ergens het vertrouwen kunnen vinden dat we daar niet een nulpunt aantreffen, maar juist een volheid.

Ik ben dirigent en er is één ding wat ik heb geleerd over de kracht van het samen zingen in een koor. Af en toe kan ik ervaren dat ik door de klanken van het koor boven mijzelf uit kan stijgen en een diep, abstract gevoel van betekenis en verbinding kan ervaren. Op zulke momenten zijn er geen woorden, maar weet ik zeker wie ik ben. Als dirigent weet ik dat zulke momenten alleen kunnen ontstaan als de zangers in het koor zowel volledig verbonden zijn met hun eigen individuele klank, als met de klank van het geheel.

Ik denk dat er in de zoektocht naar identiteit, betekenis voor de wereld en verbinding met de Ander maar drie dingen nodig zijn.

  1. Ons niet laten vastzetten in bestaande patronen. Om vanuit jezelf te kunnen spreken moet je op een bepaalde manier dwars zijn. Geen genoegen nemen met de waarheid die je gisteren ontdekte. Geen genoegen nemen met de denkbeelden uit de omgeving waarin je leeft, maar dwars zijn. Ja, dwars denken over het bestaan, dwarsliggen als het nodig is, maar in ieder geval dwars door de dingen heen werken, omdat we willen ontwikkelen. Kortom: wees dwars!
  2. De drie bovengenoemde organisaties hebben met elkaar gemeen dat ze constant twijfelen aan hun bestaan en daarmee in beweging zijn. Op 28 augustus kwamen de organisaties bij elkaar en sindsdien is alles in beweging. En ja, dat is vermoeiend soms. Niemand hier weet precies wat we aan het doen zijn en waarom en hoe het Haarlems Studenten Koor, Kamerkoor JIP en de Vrije Hogeschool zullen samenwerken. We hebben een gevoel van een richting, maar hebben genoeg ruimte open gelaten om te twijfelen. We rijden niet op de snelweg van A naar B, maar lopen op nog nooit begane paden, op zoek naar iets nieuws. Kortom: blijf lopen!
  3. En tenslotte: er is een fysieke plek nodig die de zoektocht naar identiteit en betekenis kan faciliteren. Een plek die kennis kan aanbieden die ons helpt in onze zoektocht. Maar ook een plek die juist het niet weten faciliteert en die hierin vertrouwen schept. Daarom richten wij vandaag online en offline een platform op waar jonge mensen elkaar kunnen vinden. Dat platform is er niet alleen voor de deelnemers van het Haarlems Studenten Koor, Kamerkoor JIP en de Vrije Hogeschool. Dat platform is open voor iedereen.

Hierbij nodig ik je dan ook uit om lid te worden van een nieuw platform. Het kost niets. Het enige wat ik van je vraag is om zelf actief een bijdrage te leveren aan het onderzoek. Of dat nu is in de vorm van een gedachte die je ons mee wilt geven, in de vorm van een geschreven verhaal of gedicht, in de vorm van een beelden werk, een reeks vragen of een kritische reflectie: alle bijdragen wegen even zwaar. Alle bijdragen verzamelen we op een online platform en in gesprek met elkaar. Zo ontstaat de komende maanden vanuit tientallen kleine verhalen een collectief verhaal. Een groter verhaal.

Ik wens alle dwarslopers toe dat de toevalligheden die ons hier op dit platform samen hebben gebracht tot motieven zullen worden. Coïncidentie is de ontmoeting tussen twee gebeurtenissen en als we wakker worden voor die ontmoeting kunnen ze uitgroeien tot motief. Vanuit motieven ontstaat muziek.

Deze blog is gepubliceerd op Dwarslopers.nl

Kijk hier voor meer verhalen van dwarslopers, waaronder onze studenten.

Wil je zelf dwarsloper worden? Kijk dan hier

Deel deze pagina: